Onderwijshuisvesting als bedrijfsmiddel: “Naar een flexibele vastgoedportefeuille voor onderwijsinstellingen”

E-mailadres Afdrukken

De laatste tijd zijn meerdere schoolbesturen negatief in het nieuws gekomen door hun huisvestingsbeleid. Het bekendste voorbeeld daarvan was Amarantis, dat op de rand van de afgrond balanceerde. En recent kwam ook het ROC Zadkine in de publiciteit vanwege een te omvangrijke vastgoedportefeuille. Zadkine moet nu banen schrappen en circa 100.000 m2 aan gebouwen verkopen. Zijn dit slechts incidenten of is sprake van een breder probleem in onderwijsland? Het lijkt om een breder probleem te gaan.

Tussen de 70 en 90% van de besturen kan de gestegen kosten niet meer opbrengen, zo berichtte de VO Raad recent. Het water staat ze aan de lippen, aldus de voorzitter van de VO Raad. Veel schoolbesturen redden het niet meer met het geld dat het van de Rijksoverheid krijgt. Er lijkt dus sprake van een groter probleem, waarin de onderwijshuisvesting vaak ook een rol speelt en aanleiding is voor een heroverweging van het vastgoedbeleid van schoolbesturen.

Statische vastgoedportefeuilles

Onderwijshuisvesting is een strategisch bedrijfsmiddel. Het is een bepalende factor voor onderwijskwaliteit en ook een belangrijk sturingsinstrument in beheer en exploitatie. Door je huisvesting slim te organiseren ontstaat er efficiënt beheer en exploitatie. De vraag of in het verleden voldoende strategisch is gestuurd met onderwijshuisvesting, is nu wellicht makkelijk te beantwoorden, maar doen we niet in dit artikel.

Kenmerkend voor de vastgoedportefeuille is wel dat veel schoolbesturen in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs gebouwen hebben die gedimensioneerd zijn op historisch bepaalde maximale aantallen leerlingen en dat dit ook vaak werd beschouwd als een relatief stabiele situatie. Vanuit die relatieve zekerheid werd veelal onderwijshuisvesting in eigendom ontwikkeld. De context van een relatief zeker aantal leerlingen en ook een onderwijsconcept gebaseerd op het instituut school zoals we het nu kennen, maakten keuzes hierin ook gemakkelijker. Immers, vanuit diverse normeringen ontstond een recht op een gebouw met een bepaalde omvang en een bekostiging van de Rijksoverheid voor een bij dat aantal leerlingen en huisvesting benodigde exploitatie. Iedere school of schoolbestuur had dan ook gebouwen in eigendom, beheer en exploitatie1 passend bij het aantal leerlingen dat verwacht werd. En zolang die stabiele situatie zou blijven, was er ook niet direct aanleiding strategischer na te gaan denken over bijvoorbeeld andere onderwijshuisvesting of een flexibeler vastgoedbeleid. In die zin is in onderwijsland sprake van een relatief statische onderwijsvastgoedportefeuille met als gevolg dat wanneer de omstandigheden dit vragen, het veelal niet mogelijk is om snel aanpassingen te plegen in de vastgoedportefeuille.

Veranderende context

De economisch crises met forse Rijksbezuinigingen voor het onderwijs en de demografische krimp in combinatie met ontgroening en vergrijzing, waardoor in veel regio’s in Nederland veel minder leerlingen zijn, laten nu zien dat het onderwijs onvoldoende snel en adequaat kan inspelen in hun vastgoedportefeuille op deze veranderende omstandigheden. De statische veelal in eigendom zijnde vastgoedportefeuille, die nog uitging van relatief stabiele onderwijssituaties, vormt dan een blokkade voor snel handelen. Wanneer een schoolbestuur dan niet in staat is om ook aan de knoppen van de huisvesting te draaien, dan wordt wellicht gekozen voor maatregelen die direct de onderwijskwaliteit raken, namelijk bezuinigingen op de lessen en leraren.

Maar ook veranderingen in het onderwijs zelf, waarbij leerlingen steeds meer mogelijkheden door digitalisering krijgen om tijden plaatsonafhankelijk te leren en waardoor het instituut school een andere betekenis en inhoud en vorm krijgt, zouden aanleiding moeten zijn om het vastgoedbeleid van veel schoolbesturen te heroverwegen. Ook de ontwikkeling om maatwerktrajecten aan te bieden voor succesvolle onderwijskwalificaties is reden voor heroverweging. Immers, brengen de leerlingen in de toekomst nog wel de meeste tijd in scholen door om zich te ontwikkelen en leren of krijgt het instituut school een andere vorm en inhoud? Dat deze vraag zich eerder zal voordoen in het voortgezet en beroepsonderwijs dan in het primair onderwijs spreekt voor zich.

Flexibilisering van de onderwijsvastgoedportefeuille

De demografische krimp in veel regio’s en de Rijksbezuinigingen, maar ook de veranderingen in het onderwijs zelf zouden aanleiding moeten zijn voor een heroverwegingen van het huidige vastgoedbeleid van veel schoolbesturen dan wel gemeenten daar waar het gaat om de verantwoordelijkheid voor huisvesting voor het primair en voortgezet onderwijs. Deze heroverweging moet als doel hebben te komen tot een flexibele vastgoedportefeuille waarin snel ingespeeld kan worden op veranderingen in leerlingenaantallen en onderwijskundige veranderingen zoals bijvoorbeeld de invloed van digitalisering op het onderwijsproces, de invoering van passend onderwijs of veranderingen in het techniekonderwijs. Maar ook maatschappelijke ontwikkelingen zoals veranderende onderwijsvragen of bezuinigingen.

Dit kan alleen wanneer schoolbesturen, maar ook gemeenten als economisch eigenaar van scholen voor primair en voortgezet onderwijs, voor hun onderwijshuisvesting in de toekomst naast eigendom ook steeds meer kiezen voor huur en medegebruik, waarbij in deze eigendomsverhoudingen er ook nog gevarieerd kan worden in looptijden van huur- en medegebruiksituaties zodat nog meer flexibiliteit wordt gerealiseerd. En wellicht kunnen er ook meer situaties worden gerealiseerd waarin delen van het onderwijs plaatsvinden in de toekomstige beroepsomgeving of maatschappelijke omgeving of vakscholen. Want is leren in het echt voor veel leerlingen niet veel functioneler, motiverender en uitdagender?

Van visie op leren naar visie op onderwijsvastgoed

Natuurlijk vraagt dit in de eerste plaats een heroverweging van het onderwijs en vervolgens welke gebouwen daarvoor nog nodig zijn. Denkbaar is dat bij het ouder worden van leerlingen de leeromgeving gedifferentieerder wordt en niet meer alleen plaatsvindt in het instituut school zoals we dat tot nu toe kennen. De school zoals we die kennen is dan wellicht meer een sociale ontmoetingsplaats voor leerlingen en een plek waar de leerroutes worden uitgestippeld en getoetst. En het leren vindt overal plaats, op school, thuis, op diverse plekken in de samenleving, in levensechte omgevingen van bedrijven, instellingen en maatschappelijke voorzieningen. De omgeving als één grote leeromgeving met het instituut school als organisator van leerroutes en reisleider van leerlingen in hun ontwikkelingsreis. De leer- en ontwikkelroutes voor de leerlingen bepalen vervolgens de vastgoedroutes van het schoolbestuur. Dat daarbij alles nog plaatsvindt binnen de instituten zoals we die nu kennen, lijkt minder vanzelfsprekend. Het zou wenselijk zijn wanneer scholen en schoolbesturen in hun vastgoedbeleid ook rekening houden met deze veranderingen en kiezen voor de ontwikkeling van een flexibele vastgoedportefeuille waarin sprake is van minder eigendom en (langlopende) huur, maar meer medegebruik van de diverse mogelijkheden in de directe omgeving van de school.

Voor meer informatie over dit artikel kunt u contact opnemen met M3V adviespartners, Krijno van Vugt ( Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. ) of via 026-4822520.

_____

1. Voor het funderend onderwijs geldt dat de gemeenten eigenaar zijn van een onderwijsvastgoedportefeuille (economisch eigendom), de schoolbesturen hebben het juridisch eigendom. In het MBO en HO zijn de schoolbesturen zelf eigenaar van de onderwijsgebouwen.

Deel dit artikel op:

 

Trefwoorden

Advertentie

Advertentie

September uitgave

Partners